Geschiedenis
De functie van Rijksbouwmeester bestaat al meer dan 200 jaar. De eerste Rijksbouwmeester, de 'Architect des Konings', Jean Thomas Thibault, werd al snel belast met een brede adviesrol ten behoeve van het bouwen voor de Nederlandse samenleving. De kern van die opgave is, met alle ups and downs, sindsdien verbreed en versterkt.
Koninklijke bouwprojecten
Thibault was aanvankelijk aangesteld voor koninklijke bouwprojecten. Al snel was hij een nationale autoriteit op het terrein van de architectuur. In de loop van de 100 jaar die volgden waren er geregeld periodes met krachtige, en ontwerpende functionarissen. Tussen 1870 en 1920 kenden de verschillende Rijksbouwdiensten elk hun eigen Rijksbouwmeester of Rijksbouwkundige. In de jaren 1922-'24 zijn de meeste organisaties samengevoegd in één nieuw orgaan: de Rijksgebouwendienst, met één Rijksbouwmeester.
De Rijksbouwmeester als adviseur
Na 1957 veranderde de taak van de Rijksbouwmeester van zelf ontwerpend naar adviseur voor de Rijksgebouwendienst en de Rijksoverheid in het algemeen bij concrete bouwprojecten en bij maatschappelijk bredere discussies op het vakgebied. De respectievelijke Rijksbouwmeesters Vegter, Quist, Dijkstra en Van Gool gaven er steeds weer een andere kleur aan, maar wel met toenemende aandacht voor beeldende kunst en monumenten.
Zeker de laatste vijftien jaar met Rijnboutt, Patijn, Coenen, Crouwel en nu Van der Pol is de rol van de Rijksbouwmeester verbreed en buiten het terrein van de Rijksgebouwendienst versterkt, met name als algemeen adviseur van de regering op het gebied van stedenbouw, monumenten, architectuur, infrastructuur, architectuurbeleid en beeldende kunst.

